Weinig grondrechten voelen zo vanzelfsprekend als de vrijheid van meningsuiting. We beschouwen haar als een natuurwet: eeuwenoud, universeel, boven elke discussie verheven. De historicus Fara Dabhoiwala (2025) laat in What Is Free Speech? The History of a Dangerous Idea zien dat het tegendeel waar is. De vrije meningsuiting zoals wij haar kennen is nauwelijks driehonderd jaar oud, ze werd niet uitgevonden door verlichte idealisten maar door berekenende journalisten, en over haar grenzen wordt sinds dag één ruzie gemaakt. Dit stuk volgt die geschiedenis van het Londen van 1720 tot het digitale strijdtoneel van vandaag.
Een uitvinding, geen natuurwet
Om de omslag te begrijpen, moeten we ons eerst de wereld ervóór voorstellen. Vrijwel elke premoderne samenleving — van Mesopotamië tot het zeventiende-eeuwse Europa — ging ervan uit dat woorden gevaarlijk waren. Spreken was een handeling, en handelingen die schade toebrengen horen aan regels gebonden te zijn. Laster kon een reputatie vernietigen, godslastering de sociale orde ondermijnen, opruiing tot geweld leiden. Overheden die spraak en drukpers reguleerden deden precies wat men van hen verwachtte (Dabhoiwala, 2025).
Alleen in de universiteiten en in de protestantse kerk had zich sinds de Reformatie een tegengeluid gevormd: de gedachte dat de zoektocht naar waarheid vrije uitwisseling van ideeën vergt. Maar het idee dat élke burger het recht zou hebben om ongehinderd te publiceren, was tot omstreeks 1700 vrijwel ondenkbaar.
Belangrijk: de vrijheid van meningsuiting is nooit onbeperkt geweest — niet in 1720, niet vandaag. Wie beweert dat er ooit een ‘zuivere’ toestand van absolute vrije rede bestond, projecteert een mythe op het verleden. De hele geschiedenis gaat over de vraag waar de grens ligt.
Londen rond 1700: de geboorte van de publieke sfeer
Twee revoluties maakten de doorbraak mogelijk, beide in Groot-Brittannië. De eerste was politiek. Na de Glorious Revolution van 1688 en de invoering van de constitutionele monarchie won de overtuiging terrein dat politieke legitimiteit niet van God kwam, maar van onderop — uit het volk. Daarmee schoof de publieke opinie naar het hart van de politieke besluitvorming.
De tweede revolutie was technologisch en juridisch. Toen de Licensing of the Press Act in 1695 stilzwijgend verliep, verdween in Engeland de voorafgaande censuur. Ineens mocht iedereen een krant beginnen of pamfletten drukken. De socioloog en filosoof Jürgen Habermas (1962/1989) beschreef dit als het ontstaan van de publieke sfeer: een ruimte tussen privépersoon en staat waarin burgers via het gedrukte woord een gemeenschappelijke mening vormen. Veelzeggend genoeg situeerde ook Habermas de bakermat van die publieke sfeer aan het einde van de zeventiende eeuw in Groot-Brittannië.
De praktijk was minder verheven dan de theorie. De vroege medienwereld was door en door corrupt: journalisten werden omgekocht, kranten waren afhankelijk van weldoeners of werden heimelijk door partijen gefinancierd. Tories en Whigs beschuldigden elkaar onophoudelijk van leugens. Uit precies deze periode stamt de beroemde verzuchting van Jonathan Swift (1710) in zijn essay The Art of Political Lying:
“Falsehood flies, and truth comes limping after it.” — de leugen vliegt, terwijl de waarheid er hinkend achteraan strompelt.
De parallel met de desinformatie op X en Facebook dringt zich op. De les is dat een vrije, snelle informatiemarkt en een vloedgolf aan onwaarheden vanaf het begin hand in hand gingen.
Cato’s Letters: een radicale theorie uit troebele bron
In deze context verscheen vanaf 1720 een populaire krantenrubriek onder het pseudoniem ‘Cato’. In 144 afleveringen legden twee auteurs de grote denkers van de Verlichting — Locke, Machiavelli en anderen — uit in heldere, meeslepende taal. Tussen die stukken schreven ze vier essays die volgens Dabhoiwala (2022, 2025) de allereerste uitgewerkte theorie van pers- en meningsvrijheid bevatten.
Die theorie was radicaal. Ze rustte op twee pijlers. Ten eerste: de waarheid wint vanzelf. Mensen zouden leugens uiteindelijk doorzien, en vrije debatten — en vooral vrije tegenspraak — zouden alle onwaarheden onschadelijk maken. Ten tweede: elke regering, gekozen of niet, neigt naar tirannie en zal vroeg of laat kritiek proberen te smoren. Daarom, zo luidde de conclusie, mag de vrije meningsuiting géén grenzen kennen. Dat de vrije rede niemand mag schaden, wordt in de teksten hooguit terloops vermeld.
De populariteit was enorm, vooral omdat de teksten in de praktijk elke aanval op de zittende macht rechtvaardigden. Maar de herkomst was volgens Dabhoiwala allesbehalve idealistisch. Via archiefonderzoek identificeerde hij de auteurs als John Trenchard — een rijke, gekwetste polemist die een beloofde parlementszetel was misgelopen — en de jonge, straatarme Thomas Gordon. Nog terwijl hij de regering aanviel, liet Gordon zich door diezelfde regering inhuren om anoniem propaganda te schrijven die het exacte tegendeel beweerde: vertrouw de regering, wantrouw de pers. Het edele beginsel van de vrije meningsuiting, luidt Dabhoiwala’s prikkelende stelling, kwam ter wereld als instrument van eigenbelang, geld en macht.
Het First Amendment: een historisch toeval
Geen politieke tekst werd in het achttiende-eeuwse Noord-Amerika zo vaak herdrukt als Cato’s Letters. De kolonisten, in toenemende wrijving met het Britse gezag, vonden er de rechtvaardiging voor hun verzet in. Zo werden de teksten mainstream in de jaren vóór de onafhankelijkheid — en zo lopen ze uit op het First Amendment (1791), dat het Congres verbiedt wetten te maken die de vrijheid van meningsuiting of pers inperken.
Toch is de absolute formulering van dat amendement volgens Dabhoiwala (2025) grotendeels een historisch toeval. Ook in Amerika leefde namelijk de wijdverbreide overtuiging dat licentiousness — losbandige, opruiende, lasterlijke rede — strafbaar moest blijven. Het vervolgen daarvan gold juist als voorwaarde om de positieve effecten van vrije meningsuiting te laten gedijen. Zodra je echter vraagt wáár de grens tussen vrije rede en licentiousness ligt, wordt het ingewikkeld.
De timing maakt het toeval zichtbaar. De Amerikanen legden hun Bill of Rights in september 1789 vast. Vrijwel gelijktijdig namen de Fransen de Déclaration des droits de l’homme et du citoyen (1789) aan, met een beroemd artikel 11: de vrije uitwisseling van gedachten is een van de kostbaarste rechten, maar elke burger blijft verantwoordelijk voor het misbruik van die vrijheid in de door de wet bepaalde gevallen. Door de trage postverbinding — een brief deed er twaalf weken over — ontdekten de Amerikanen pas later dat de meerderheid van hun eigen afgevaardigden de afgewogen Franse formulering eigenlijk beter vond. Het ratificatieproces was toen al niet meer te stoppen. Veel Amerikaanse deelstaten namen daarna alsnog de Franse variant in hun eigen grondwet op.
Twee formuleringen, twee tradities. De Franse (en Europese) traditie koppelt vrijheid meteen aan verantwoordelijkheid en aan grenzen die de wet stelt. De Amerikaanse tekst kent die uitzondering niet met zoveel woorden — een verschil dat pas twee eeuwen later explosief zou worden.
Twee eeuwen sluimer, dan een wapen
Opvallend genoeg speelde de radicaliteit van het First Amendment bijna tweehonderd jaar nauwelijks een rol. Tot ver in de twintigste eeuw heerste tot aan het Supreme Court de opvatting dat meningsvrijheid met andere grondrechten in evenwicht moest worden gebracht — feitelijk het Europese model.
Dat veranderde door de angst voor links. Na de Eerste Wereldoorlog brak de eerste ‘Rode Angst’ uit; anarchisten, communisten en socialisten werden vervolgd. In Schenck v. United States (1919) formuleerde rechter Oliver Wendell Holmes de bekende clear and present danger-toets. Toen tijdens de tweede Rode Angst van de jaren vijftig senator McCarthy het staatsapparaat tegen vermeende agenten mobiliseerde, werd het recht op vrije meningsuiting pas echt een nuttig wapen tegen vervolging. Het sluitstuk kwam in 1969.
De Brandenburg-toets (1969). In Brandenburg v. Ohio bepaalde het Supreme Court dat zelfs extreme politieke uitspraken beschermd zijn, tenzij ze zijn gericht op — en waarschijnlijk leiden tot — onmiddellijke wetteloze actie (“imminent lawless action”). Deze één-tweetoets (aanzet tót geweld én waarschijnlijkheid daarvan) is tot vandaag de standaard.
De ironie is dubbel. Ten eerste werd de meest spraakbeschermende norm ter wereld uitgevaardigd in een zaak die een leider van de Ku Klux Klan vrijpleitte. Ten tweede was het grotendeels politiek links dat via zulke processen de radicale, absolute lezing van vrije meningsuiting juridisch afdwong — dezelfde lezing waarop later heel andere spelers een beroep zouden doen.
Vandaag: twee modellen, één spanningsveld
In de digitale publieke sfeer botsen nu twee erfenissen op elkaar, beide terug te voeren op het achttiende-eeuwse Londen. Aan de ene kant het Amerikaanse model van vrijwel onbegrensde vrije rede; aan de andere kant het Europese model dat afweegt en begrenst. Dat laatste kreeg zijn recentste vorm in de Digital Services Act (Verordening (EU) 2022/2065), die grote platforms verplicht illegale inhoud aan te pakken en systeemrisico’s — van desinformatie tot bedreiging van verkiezingen — te beperken, terwijl de grondrechten van het EU-Handvest gewaarborgd blijven.
| Aspect | Europees model (o.a. DSA) | Amerikaans model (First Amendment) |
|---|---|---|
| Uitgangspunt | Vrijheid én verantwoordelijkheid; afweging tegen andere grondrechten | Vrijheid als vrijwel absoluut, tenzij onmiddellijke wetteloze actie |
| Wortels | Déclaration 1789, art. 11; verantwoordelijkheid voor misbruik | Cato’s Letters; Brandenburg-toets (1969) |
| Wie trekt de grens? | Wetgever en politieke meerderheden | Rechter, langs een zeer hoge drempel |
| Risico | Grens is betwist; gaat soms ten koste van individuen | Macht, geld en algoritmes bepalen wie wint |
Welk model is beter? Volgens Dabhoiwala (2025) bestaat er geen objectief antwoord: beide zijn problematisch. Het Europese model handelt zijn grenzen voortdurend opnieuw uit en weet dat er nooit een toestand komt waarin iedereen zich rechtvaardig behandeld voelt. Maar het zou een misverstand zijn te denken dat het Amerikaanse model geen schade aanricht: waar praktisch géén grenzen bestaan, beslissen macht, geld en algoritmes wie zijn tegenstander in het meningsgevecht tegen de muur drukt. Ook is vrije rede nooit onaantastbaar gebleken — ook westerse regeringen lieten in crisistijd sociale media inhoud verwijderen.
Besluit
De rode draad door drie eeuwen is ontnuchterend en verhelderend tegelijk. De vrijheid van meningsuiting is geen tijdloos natuurrecht maar een uitvinding met een rommelige, deels cynische ontstaansgeschiedenis. Ze was van meet af aan ook een machtsinstrument — een wapen in de politieke strijd. Precies daarom, zo besluit Dabhoiwala, is elk gevecht óver vrije meningsuiting bijna altijd tegelijk een gevecht over iets anders: over wie mag spreken, en wie het zwijgen wordt opgelegd.
De paradox lost zichzelf op: juist doordat de vrije meningsuiting berust op het verlichtingsideaal van zelfbeschikking en democratie, geldt ze — ondanks al het misbruik — in beginsel voor iedereen. Dat is haar zwakte én haar kracht.
Bronnen
Brandenburg v. Ohio, 395 U.S. 444 (1969). https://supreme.justia.com/cases/federal/us/395/444/
Dabhoiwala, F. (2022). Inventing free speech: Politics, liberty and print in eighteenth-century England. Past & Present, 257, 39–74.
Dabhoiwala, F. (2025). What is free speech? The history of a dangerous idea. Belknap Press / Harvard University Press. https://history.princeton.edu/about/publications/what-free-speech-history-dangerous-idea
Déclaration des droits de l’homme et du citoyen (1789), art. 11. Conseil constitutionnel. https://www.conseil-constitutionnel.fr/le-bloc-de-constitutionnalite/declaration-des-droits-de-l-homme-et-du-citoyen-de-1789
Habermas, J. (1989). The structural transformation of the public sphere: An inquiry into a category of bourgeois society (T. Burger & F. Lawrence, Vert.). MIT Press. (Oorspronkelijk werk gepubliceerd in 1962)
Hamann, G., & Jungclaussen, J. F. (2026, 5 juli). Redefreiheit: Welche Freiheit darf’s denn sein? [Interview met F. Dabhoiwala]. Die Zeit, (29). https://www.zeit.de/2026/29/redefreiheit-usa-catos-letters-first-amendment
Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten (digitaledienstenverordening). Publicatieblad L 277, 27.10.2022. https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2022/2065/oj/eng
Swift, J. (1710). The art of political lying. The Examiner, No. 14. https://www.ourcivilisation.com/smartboard/shop/swift/examiner/chap14.htm