Gezicht van een persoon in het donker, enkel verlicht door het schijnsel van een smartphonescherm.
Het grijze scherm tegenover de gouden boom van het leven — de moderne Faulbett.

Twee eeuwen vóór de smartphone tekende Goethe al de mens die álles wil en nergens blijft. Faust verlangt de héle spanwijdte van het leven — hoogte én afgrond — zelf te doorleven, terwijl wij met eindeloos scrollen genoegen nemen met ervaring op afstand. Een pleidooi voor wat deze rusteloze figuur ons vandaag te zeggen heeft.

We denken bij Faust aan een stoffige klassieker: een geleerde, een duivelspact, een verdoemenis. Maar wie het stuk vandaag herleest, schrikt van hoe scherp het ons eigen leven beschrijft. Goethe's Faust is rusteloos, onverzadigbaar, altijd op zoek naar het volgende — en nooit tevreden met het moment waarin hij zich bevindt. Klinkt dat bekend? Twee eeuwen voor de smartphone tekende Goethe het portret van de mens die alles wil en nergens blijft. Dit stuk leest Faust I (1808) vanuit één centrale honger, en betoogt daarna iets onverwachts: dat juist die honger, goed begrepen, een tegengif kan zijn voor ons virtuele leven.

De honger die alles wil

De legendarische Faust uit de volksboeken wilde kennis, macht en genot — en betaalde daarvoor met zijn ziel. Goethe verandert die inzet radicaal. Zijn Faust is al de geleerdste man van zijn tijd, en juist dat maakt hem wanhopig. Aan het begin van het stuk somt hij op wat hij tevergeefs heeft gestudeerd:

Habe nun, ach! Philosophie,
Juristerei und Medizin,
Und leider auch Theologie
Durchaus studiert, mit heißem Bemühn.

Vrij vertaald: ik heb nu, ach, filosofie, rechten en geneeskunde, en helaas ook theologie grondig bestudeerd, met vurige ijver. Al dat weten heeft hem niets gebracht. Wat hij daarna wil, is geen boek meer, maar het leven zelf — en niet zomaar een stukje ervan. In de studeerkamerscène, net na de weddenschap met Mephisto, formuleert hij zijn ware verlangen. Het is de sleutelpassage van het hele stuk:

Dem Taumel weih ich mich, dem schmerzlichsten Genuß,
Verliebtem Haß, erquickendem Verdruß.
Mein Busen, der vom Wissensdrang geheilt ist,
Soll keinen Schmerzen künftig sich verschließen,
Und was der ganzen Menschheit zugeteilt ist,
Will ich in meinem innern Selbst genießen,
Mit meinem Geist das Höchst' und Tiefste greifen,
Ihr Wohl und Weh auf meinen Busen häufen,
Und so mein eigen Selbst zu ihrem Selbst erweitern,
Und, wie sie selbst, am End auch ich zerscheitern.

Vrij vertaald: aan de roes wijd ik mij, aan het meest smartelijke genot, aan verliefde haat, aan verkwikkende ergernis. Mijn hart, genezen van de drang naar weten, zal zich voortaan voor geen enkele pijn meer sluiten — en wat aan de hele mensheid is toebedeeld, wil ik in mijn eigen binnenste genieten, met mijn geest het hoogste en het diepste grijpen, haar wel en wee op mijn eigen borst opstapelen, en zo mijn eigen zelf tot hun zelf verruimen, en, zoals zij, uiteindelijk ook zelf te gronde gaan.

Lees goed wat hier staat. Faust wil niet weten over het leven — hij is die drang net „genezen”. Hij wil de volledige spanwijdte van het menselijk bestaan, hoogte én afgrond, in zijn eigen persoon doorleven. En cruciaal: hij sluit uitdrukkelijk ook het zware in. Niet alleen het geluk, maar „het meest smartelijke genot”; niet alleen het wel, maar ook het wee. Zelfs als het hem breekt — „am End auch ich zerscheitern” — wil hij het doorleefd hebben. Dat is geen genotzucht. Het is de wil om een heel mens te zijn, ook waar dat pijn doet.

De filoloog Albrecht Schöne, wiens commentaar geldt als de standaardeditie, benadrukt hoe ver Goethe hiermee afwijkt van de traditie: de oude Faust verkocht zijn ziel voor bovenmenselijke macht; Goethes Faust verlangt naar het volledig ménselijke — de hele ervaring, tot en met de ondergang (Goethe, 1808/2017).

De weddenschap: geen moment mag blijven

Die honger is meteen de logica van het beroemde pact. Anders dan in de legende gaat het niet om „vierentwintig jaar plezier, dan de hel”. Faust stelt een heel andere voorwaarde. Hij durft het aan omdat hij zichzelf onverzadigbaar acht:

Werd ich beruhigt je mich auf ein Faulbett legen,
So sei es gleich um mich getan! …
Werd ich zum Augenblicke sagen:
Verweile doch! du bist so schön!
Dann magst du mich in Fesseln schlagen,
Dann will ich gern zugrunde gehn!

Vrij vertaald: als ik me ooit gerustgesteld op een luie divan neerleg, dan mag het meteen met me gedaan zijn! … Zeg ik ooit tegen het ogenblik: verwijl toch, je bent zo mooi! — dan mag je me in de boeien slaan, dan ga ik graag te gronde.

De weddenschap draait dus om het moment waarin je zou willen blíjven. Zodra Faust ooit tegen een ogenblik zegt „blijf toch”, heeft Mephisto gewonnen. Zolang hij blijft verlangen, blijft hij leven. Het gevaar is niet de begeerte, maar de voldaanheid — de „Faulbett”, de luie divan, de tevreden stilstand. In de proloog in de hemel had God al de spelregel gegeven: „Es irrt der Mensch, so lang er strebt” — de mens dwaalt zolang hij streeft. Dwalen hoort er dus bij; het is de prijs van in beweging blijven. En Mephisto, de tegenspeler, omschrijft zichzelf als „ein Teil von jener Kraft, die stets das Böse will und stets das Gute schafft” — een deel van die kracht die steeds het kwade wil en steeds het goede schept. De wrijving zelf, de weerstand, drijft Faust vooruit.

Die weddenschap staat trouwens niet op zichzelf. Ze weerspiegelt een tweede, hogere weddenschap uit de proloog in de hemel, waar Mephisto met God wedt dat hij Faust van het rechte pad kan afbrengen. God stemt toe, want hij vertrouwt erop dat een strevende mens, ook al dwaalt hij, uiteindelijk het goede zoekt: „Ein guter Mensch in seinem dunklen Drange / Ist sich des rechten Weges wohl bewusst” — een goed mens is zich in zijn duistere drang wel bewust van de juiste weg. Faust wordt zo van meet af aan ingezet in een spel dat groter is dan hijzelf: zijn rusteloosheid wordt op de proef gesteld als exemplarisch voor de hele mensheid.

Faust als spiegel van de moderne mens

Dit rusteloze streven bleek geen toevallige karaktertrek, maar een diagnose van een hele beschaving. De cultuurfilosoof Oswald Spengler noemde de moderne westerse cultuur daarom letterlijk „faustisch”: een beschaving gedreven door een oneindig verlangen, een drang naar het onbegrensde, een onvermogen om ergens tot rust te komen (Spengler, 1918–1922/1923). De faustische mens reikt altijd verder dan hij kan grijpen. Onze wolkenkrabbers, onze ruimtevaart, onze eindeloze economische groei — allemaal uitingen van dezelfde honger die alles wil en nergens blijft.

Die honger heeft ook een keerzijde, en Goethe wist dat. In een van zijn bekendste regels bekent Faust dat hij verscheurd is:

Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust,
Die eine will sich von der andern trennen.

Vrij vertaald: twee zielen wonen, ach, in mijn borst, de ene wil zich van de andere losmaken. De ene ziel klampt zich met alle zintuigen aan de wereld vast; de andere wil zich erbovenuit verheffen. Precies die tweespalt — verlangen naar de aarde én naar het oneindige — maakt Faust zo herkenbaar. En ze brengt ons bij de vraag die dit stuk vandaag zo prangend maakt.

Het virtuele leven: Faust of anti-Faust?

Op het eerste gezicht lijkt onze schermtijd het toppunt van faustisch verlangen. De eindeloze feed, het scrollen dat nooit ophoudt, het volgende filmpje, de volgende post — geen moment is ooit goed genoeg om bij stil te staan. „Verweile doch” is technisch onmogelijk gemaakt: elk platform is ontworpen om je nooit te laten blijven. In die zin zijn we allemaal Faust geworden, onverzadigbaar op zoek naar het volgende.

Maar kijk beter, en het beeld kantelt. Wat de feed ons biedt, is precies het tegendeel van wat Faust wilde. Faust eiste de hele ervaring „in meinem innern Selbst” — in zijn eigen binnenste, aan den lijve, op zijn eigen borst opgestapeld. Het virtuele leven levert het omgekeerde: ervaring op afstand. We kijken hoe anderen reizen, koken, liefhebben en rouwen, in plaats van het zelf te doen. Waar Faust zijn hart wilde openstellen voor „keinen Schmerzen” — voor geen enkele pijn wilde sluiten — biedt de gecureerde tijdlijn ons juist wel zonder wee: de mooie kant zonder de moeite, het genot zonder het risico, de highlight zonder de last.

En hier wordt het pijnlijk precies. Herinner je Fausts inzet: de luie divan is de dood. „Werd ich beruhigt je mich auf ein Faulbett legen, so sei es gleich um mich getan.” De oneindige scroll is exact zo'n Faulbett — een luie divan, vermomd als avontuur. Hij vóélt als beweging, als honger, als leven, terwijl je in werkelijkheid stilligt. Mephisto had geen betere val kunnen bedenken: een apparaat dat je rusteloosheid volmaakt nabootst en tegelijk verlamt.

Er zit ook een wrange tijdsparadox in. Faust verloor als hij een moment zó mooi vond dat hij wilde blíjven. De feed keert dat om: hij zorgt dat géén enkel moment ooit mooi genoeg is om te blijven, en houdt je juist daardoor gevangen in een ondiep, eindeloos heden waarin niets wordt doorleefd. Niet het gevaar van de tevreden stilstand, maar dat van de beweging die nergens landt — twee manieren om het echte leven te missen.

Zo bezien is het digitale leven geen faustisch leven, maar een anti-Faust. Het imiteert de honger en verraadt haar. Het geeft je de sensatie van alles-willen zonder ooit iets echt te beleven. Goethe zag die verleiding aankomen. In een van zijn scherpste regels laat hij Mephisto de student toespreken:

Grau, teurer Freund, ist alle Theorie,
Und grün des Lebens goldner Baum.

Vrij vertaald: grijs, beste vriend, is alle theorie, en groen de gouden boom van het leven. Vervang „theorie” door „scherm”, en de regel is van vandaag. Het grijze is de tweedehandse, doorgegeven, gefilterde werkelijkheid van de feed. Het groene is het eerste-persoonsleven, met al zijn wrijving en onvoorspelbaarheid. Faust koos het groen — koste wat kost.

Een pleidooi voor Faust in ons leven

Wat vraagt Faust dan van ons, hier en nu? Niet dat we onze telefoons wegsmijten — die verbinden ons, informeren ons, brengen ons dichter bij mensen ver weg. Het pleidooi is subtieler. Het is een oproep om het vicariale niet het geleefde te laten vervangen. Om, zoals Faust, te willen dat de ervaring de onze is: doorleefd in eigen persoon, met eigen zintuigen, met echte inzet.

Dat betekent concreet: kies vaker het moeilijke boven het comfortabele. Ga de moeite aan in plaats van haar weg te scrollen. Aanvaard dat een vol leven ook wrijving, verveling, ongemak en verdriet bevat — niet als straf, maar als het bewijs dat je er echt bíj was. Faust wilde uitdrukkelijk het „Wohl und Weh”, het wel én het wee. Een leven dat alleen het wel toelaat, en het wee wegveegt met een swipe, is geen half leven — het is nauwelijks een leven.

In de praktijk hoeft dat niet groots te zijn. Het is de keuze om een gesprek te voeren in plaats van een reactie te typen; om zelf te koken in plaats van naar kookvideo's te kijken; om een berg op te wandelen in plaats van de foto ervan te liken; om je te vervelen zonder meteen naar je telefoon te grijpen. Elke keer dat je het geleefde verkiest boven het bekeken leven, kies je — in het klein — voor Faust.

Belangrijk: dit is géén verheerlijking van lijden, en Faust is geen held zonder schaduw. Zijn honger heeft een slachtoffer: Gretchen, het meisje dat hij verleidt en achterlaat, verliest haar moeder, haar broer, haar kind en haar verstand. Goethe laat er geen twijfel over bestaan dat grenzeloos „alles willen” anderen kan vermorzelen. Het pleidooi gaat dus niet over roekeloosheid of over pijn zoeken om de pijn, maar over echt, aanwezig, eerste-persoonsleven — met de verantwoordelijkheid die daarbij hoort.

Er is nog een aanwijzing, en die relativeert de rusteloosheid mooi. In het tweede deel bereikt Faust uiteindelijk tóch zijn hoogste ogenblik — niet door consumptie of verovering, maar door scheppend, gemeenschappelijk werk: het droogleggen van land waarop een vrij volk kan wonen. De vervulling ligt dus niet in het eindeloze grijpen, maar in het maken, in het bijdragen. Ook dat is een les tegen de feed: wie schept, is aanwezig; wie enkel scrollt, kijkt toe.

Besluit: Faust is actueel

Een tweehonderd jaar oude tragedie blijkt onze eeuw met verontrustende precisie te beschrijven. De rusteloze honger die alles wil, het onvermogen om bij een moment te blijven, de verleiding van de luie divan die als avontuur voelt — het staat er allemaal, geschreven voordat er één scherm oplichtte. Maar Faust biedt meer dan een diagnose. Hij biedt een richting: niet toekijken, maar beleven; niet het wee vermijden, maar het volle leven omarmen; niet blijven liggen, maar de gouden groene boom kiezen boven de grijze theorie.

Faust is actueel — niet als excuus voor eindeloze consumptie, maar als aansporing om het leven zelf te leven, aan den lijve, hoogte én afgrond, in plaats van het van een afstand te bekijken op een scherm. Zet af en toe de feed uit, en laat de gouden boom weer groen worden.

Bronnen

Boyle, N. (2000–2006). Goethe: The poet and the age (Vol. 1–2). Clarendon Press.

Brown, J. K. (1986). Goethe's Faust: The German tragedy. Cornell University Press. https://www.cornellpress.cornell.edu/book/9780801418341/goethes-faust/

Goethe, J. W. (2017). Faust: Texte und Kommentare (A. Schöne, Red.). Deutscher Klassiker Verlag. (Oorspronkelijk werk gepubliceerd 1808). Volledige tekst van Faust I: Projekt Gutenberg.

Spengler, O. (1923). Der Untergang des Abendlandes: Umrisse einer Morphologie der Weltgeschichte. C. H. Beck. (Oorspronkelijk werk gepubliceerd 1918–1922)